
In de kelder zag ik een spook,
Met een witte, enge look.
Het fluisterde zachtjes in mijn oor,
De angst greep me, ik stond verstijfd als een toren.
Maar ik realiseerde me dat het nep was, een list,
Een illusie die mijn hart even had gemist.
Dus lach ik nu om dat spook, zonder enige vrees,
Want het was slechts een spel, van mijn verbeelding, in deze pees.